Select Your Region
Wereldwijd

Acuut

Iets is acuut als het ineens begonnen is, kort duurt en snel erger wordt. Een ziekte kan acuut zijn. Maar ook symptomen van een ziekte kun je acuut noemen. Het tegengestelde van acuut is chronisch (langdurend).

Acute pijn

Een pijngevoel dat snel op komt zetten en kort duurt. Acute pijn kan voorkomen in allerlei situaties. Bijvoorbeeld na een operatie. Of als iemand een verwonding of klap heeft gekregen. Of bij andere gezondheidsproblemen. Acute pijn kun je zien als een waarschuwing: het lichaam heeft hulp nodig.

Adenocarcinoom

Een vorm van kanker die begint in de cellen van het lichaam die vloeistoffen en slijm produceren. Bijvoorbeeld in de darmen.

Adjuvante behandeling

Een behandeling die vaak aan mensen met kanker wordt gegeven na een operatie. Het doel is de overgebleven kankercellen te vernietigen. Daardoor wordt het risico kleiner dat de kanker terugkomt. Er zijn verschillende soorten adjuvante behandelingen. Bijvoorbeeld chemotherapie, bestraling, antihormonale therapie, doelgerichte therapie of biologische therapie.

Kanker in een gevorderd stadium

Kanker die zich uitbreidt in het lichaam. Bijvoorbeeld naar weefsels in de buurt of naar de lymfeklieren. De tumoren zijn meestal groter dan bij patiënten zonder kanker in een gevorderd stadium. Kanker in een gevorderd stadium kan ook betekenen dat een tumor na een behandeling is teruggekomen.

Leeftijdsgebonden maculadegeneratie (LMD of AMD)

Patiënten met maculadegeneratie zien wazig of slecht in het midden van een of beide ogen. Dat komt doordat de macula beschadigd is. Dat is een deel van het netvlies dat achter in het oog ligt.

Vruchtwaterpunctie (amniocentese)

Een onderzoek tijdens de zwangerschap. Hierbij wordt een beetje vloeistof uit de baarmoeder gehaald, rondom de baby. Deze vloeistof wordt onderzocht. Zo wordt bekeken of de baby misschien iets mankeert.

Bloedarmoede (anemie)

Als je bloedarmoede hebt, dan heb je minder hemoglobine of rode bloedcellen dan normaal. Daardoor kan het lichaam mogelijk niet genoeg zuurstof door het lichaam vervoeren.

Angiogenese

De groei van bloedvaten. Tumorangiogenese is de groei van nieuwe bloedvaten waardoor een tumor kan groeien.

Ontstekingsremmend (anti-inflammatoir)

Een ontstekingsremmer is een geneesmiddel of ander middel om een ontsteking te verminderen. Een ontsteking (inflammatie) is vaak te herkennen aan roodheid, zwellingen of pijn.

Antilichaam

Antilichamen worden gemaakt door de cellen van het afweersysteem. Het bloed en de lymfe vervoeren deze antilichamen door het lichaam. Ze hechten zich bijvoorbeeld aan cellen in iemands lichaam. Zo bepalen ze of de cellen goed of slecht zijn. Antilichamen kunnen zich ook hechten aan bacteriën en virussen. Ze helpen om deze bacteriën en virussen te doden. Zo beschermen ze het lichaam tegen infecties. Sommige antilichamen (monoklonale antilichamen) worden gemaakt in het laboratorium. Ze zijn bedoeld om slechte cellen in het lichaam te ontdekken en te doden. Dat kunnen bijvoorbeeld kankercellen zijn. Maar ze kunnen ook worden gebruikt om overactieve of ontspoorde afweercellen te remmen. Dat gebeurt bij (auto-)immuunziekten.

Antiviraal geneesmiddel

Een geneesmiddel tegen infecties door virussen.

Astma

Een langdurige longaandoening die veel voorkomt. Astma komt door ontsteking van de luchtwegen. Hierdoor ontstaan problemen bij het ademhalen.

Auto-immuunziekte

Een ziekte waarbij het afweersysteem per ongeluk de gezonde cellen of weefsels van het lichaam aanvalt. Auto-immuunziekten komen voor in verschillende delen van het lichaam. Bijvoorbeeld in de darmen (de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa), de gewrichten (bijvoorbeeld reumatoïde artritis) of de huid (bijvoorbeeld psoriasis).

Beste ondersteunende zorg

Zorg om de symptomen te verlichten van een ernstige ziekte (bijvoorbeeld kanker).

Biologische therapie/behandeling

Een behandeling waarbij producten worden gebruikt die gemaakt zijn van een levend organisme. Ze worden gebruikt om ziekten te voorkomen of te behandelen. Of om een diagnose te stellen. Biologische geneesmiddelen zijn bijvoorbeeld antilichamen, interleukines en vaccinaties.

Biopsie

Bij deze ingreep worden wat cellen of weefsel afgenomen. Deze cellen of weefsel worden een monster of een biopt genoemd. Dit monster kan worden onderzocht onder een microscoop. De meest voorkomende soorten biopsieën zijn: 1. incisiebiopsieën. Hierbij wordt een stukje weefsel weggehaald. 2. excisiebiopsieën. Hierbij wordt een hele knobbel of een verdacht gedeelte weggehaald. 3. naaldbiopsieën. Hierbij wordt weefsel of vloeistof weggehaald met een naald.

Blindering

Blindering is een term die gebruikt wordt bij onderzoek naar geneesmiddelen. Is er sprake van blindering? Dan weten de deelnemers aan het onderzoek niet wat voor onderzoeksmiddel ze krijgen toegediend. Het kan een 'echt' geneesmiddel of een placebo zijn. Dat laatste is een product dat er hetzelfde uitziet maar dat geen geneesmiddel bevat. Door blindering is het makkelijker om te onderzoeken of een onderzoeksmiddel goed werkt.

Beenmergtransplantatie

Een ingreep waarbij een patiënt gezonde cellen krijgt toegediend die bloedcellen kunnen maken. Deze cellen worden ook wel stamcellen genoemd. Deze gezonde stamcellen worden aan een patient toegediend nadat de eigen abnormale stamcellen van de patiënt zijn vernietigd. Bijvoorbeeld door een ziekte of door bestraling. Beenmergtransplantaties zijn er in verschillende soorten: 1 autoloog, met stamcellen uit het eigen beenmerg; 2. allogeen, met stamcellen van iemand anders; 3. syngeen, met stamcellen van een eeneiige tweeling.

Stollingsfactorproducten

Geneesmiddelen die gebruikt worden bij hemofilie. Ze worden ingezet tegen inhibitoren. Inhibitoren verstoren de werking van een ander geneesmiddel bij hemofilie. Dat geneesmiddel zorgt dat het lichaam een normale bloedstolling heeft.

Kanker

Als mensen gezond zijn, hebben ze een gelijkmatige celgroei en celdeling. Dan werkt het lichaam goed. Maar soms verandert bij de celdeling het DNA. Het DNA is de stof die informatie geeft over hoe cellen zich moeten gedragen. Deze veranderingen (ook ‘mutaties’ genoemd) kunnen ervoor zorgen dat cellen abnormaal gaan groeien en delen. Ze vormen dan uiteindelijk een groep van kankercellen. Dit heet ook wel een tumor.

Kankerimmuuntherapie (KIT of CIT)

Een behandeling die het afweersysteem van het lichaam helpt om kankercellen te bestrijden.

Primaire tumor onbekend (CUP)

Deze term wordt gebruikt als er kanker ontdekt is in het lichaam, maar niet bekend is waar de kanker begonnen is. Er zijn dan uitzaaiingen op verschillende plaatsen in het lichaam.

Videocapsule-endoscopie

Een onderzoek waarbij een patiënt een kleine capsule moet inslikken die een camera bevat. De camera gaat door de darmen en maakt foto’s van de binnenkant van de darmen. Die worden daarna door de arts bekeken.

Drager

Iemand die een erfelijke eigenschap bij zich draagt die te maken heeft met een ziekte. De drager kan deze erfelijke eigenschap aan zijn of haar kinderen doorgeven. De drager kan zelf ziekteverschijnselen hebben, maar dat hoeft niet.

Immuuncheckpointremmers (ICI’s)

Het afweersysteem kan slechte cellen in het lichaam opsporen. Het gebruikt moleculen (checkpoints) om die slechte cellen aan te vallen. Kankercellen maken soms gebruik van deze checkpoints. Daarmee voorkomen ze dat ze door het afweersysteem worden aangevallen. In dat geval zijn immuuncheckpointremmers nodig. Dat zijn geneesmiddelen die tegengaan dat kankercellen zichzelf op deze manier beschermen.

Chemotherapie

Geneesmiddelen die de groei van een kanker stopzetten. De kankercellen worden gedood of kunnen zich niet meer delen. Chemotherapie heeft invloed op de celdeling. Cellen die snel delen worden erdoor vernietigd. Chemotherapie richt zich dus niet op bepaalde moleculen. Dat is wel zo bij andere therapieën, zoals antilichamen (doelgerichte therapie).

Chorionvillusbiopsie

Een test die tijdens de zwangerschap wordt gedaan. Daarbij worden cellen afgenomen uit de moederkoek. De moederkoek (placenta) is de verbinding tussen de moeder en de baby in de baarmoeder. De cellen worden onderzocht om te zien of de baby misschien iets mankeert.

Chromosoom

Genen vormen groepen: chromosomen. Een chromosoom is een lange keten van genen die in een cel past. Bij mensen zonder erfelijke afwijkingen heeft iedere cel 23 chromosoomparen. De ene helft van een paar komt van de moeder, de andere helft van de vader.

Chronisch

Een term voor iets dat geleidelijk aan erger wordt en een lange tijd blijft bestaan. Een ziekte kan chronisch zijn. Maar ook symptomen van een ziekte kun je chronisch noemen. Of de verschijnselen van een ziekte. Het tegengestelde van chronisch is acuut.

Chronische nierdisfunctie

Een nierstoornis die levenslang duurt.

Chronisch obstructieve longziekte (COPD)

Een groep longziekten die (ernstige) problemen met ademen geven. De eerste is longemfyseem. Daarbij gaat het longweefsel stuk. Dat is het weefsel waardoor mensen kunnen ademen. De tweede is chronische bronchitis. Dat is ontsteking van de bronchi, de buizen die lucht vervoeren van en naar de longen. De derde is refractaire (onomkeerbare) astma. Deze aandoeningen blijven levenslang bestaan.

Chronische pijn

Pijn die langer aanhoudt dan 3 - 6 maanden.

Chronische ziekten van de ademwegen

Levenslange ziekten van de ademwegen. Dat zijn de organen en weefsels die de ademhaling mogelijk maken. Ze vervoeren zuurstof en andere gassen door het lichaam.

Cirrose

Littekenweefsel in de lever door schade die eerder is ontstaan. Bijvoorbeeld door een ontsteking door infectie of door drinken van te veel alcohol. Door deze littekens kan de lever minder goed werken, wat weer tot andere problemen leidt.

Klinisch onderzoek

Klinische onderzoeken zijn medisch-wetenschappelijke onderzoeken met mensen. Daarmee worden nieuwe geneesmiddelen getest. De onderzoekers kijken of een middel helpt om mensen zich beter te laten voelen, om een ziekte te verminderen of te zorgen dat deze niet ernstiger wordt. Ook wordt getest of nieuwe geneesmiddelen veilig zijn en of ze bijwerkingen hebben. Blijkt dat een nieuw geneesmiddel goed werkt en niet te veel bijwerkingen heeft? Dan kan het bedrijf vragen of het product op de markt mag komen. Het bedrijf dient dan een aanvraag in bij de officiële organisaties in verschillende landen. Zo kunnen andere mensen met de ziekte het nieuwe middel later ook krijgen.

Cognitieve dysfunctie

Stoornissen die te maken hebben met het verwerken van informatie. Ze leiden tot problemen bij het leren of gedrag. Bijvoorbeeld problemen bij aandacht en concentratie, oriëntatie, waarnemen, denken, herinneren, plannen maken, problemen oplossen, vaardigheden, initiatieven nemen en inzicht krijgen in de eigen situatie.

Darmkanker (coloncarcinoom, colorectaal carcinoom)

Het colon en het rectum vormen samen de dikke darm, het laatste gedeelte van het darmstelsel (spijsverteringsstelsel). Coloncarcinoom (darmkanker) is de term voor kanker die zich ontwikkelt in het colon (de dikke darm) of het rectum (de endeldarm).

Colonoscopie

Bij een colonoscopie onderzoekt de MDL-arts de binnenbekleding/het slijmvlies van de dikke darm. Hij of zij gebruikt daarvoor een flexibele slang (de colonoscoop). Deze gaat in het lichaam van de patiënt. Zo kan de arts in de darm kijken. De arts spoort zo afwijkingen op. De arts kan een klein stukje weghalen (een monster of biopt) van ongebruikelijke groeisels. Dat wordt gebruikt om te zien of er sprake is van coloncarcinoom.

Computertomografie (CT)

Een techniek waarbij een gedetailleerde afbeelding van de binnenkant van het lichaam kan worden gemaakt. Dat gebeurt met röntgenstraling en een computer.

Corticosteroïden

Corticosteroïden zijn medicijnen die lijken op de hormonen die de bijnierschors maakt. Ze hebben in het lichaam veel verschillende effecten. Daardoor kunnen er veel verschillende ziekten mee behandeld worden. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt om ontbrekend hormoon te vervangen. Of om het afweersysteem te onderdrukken. Of om bijwerkingen te behandelen van kanker en de behandeling van kanker.

Ziekte van Crohn

Een auto-immuunziekte van de darmen. Daardoor kunnen overal in het spijsverteringskanaal ontstekingen ontstaan (zwellingen, roodheid, pijn). De ziekte komt meestal voor in de dunne darm (het ileum) of in de dikke darm (het colon).

Cystische fibrose

Cystische fibrose is het gevolg van een defect gen. Dit gen heeft invloed op de cellen: het bepaalt hoe zout en water in en uit cellen bewegen. Bij cystische fibrose komen infecties voor die steeds terugkeren. Daardoor ontstaat in de luchtwegen dik, plakkerig slijm. Dit heeft invloed op de longen en de spijsvertering. Zo kunnen problemen ontstaan in het hele lichaam.

DNA (desoxyribonucleïnezuur)

Erfelijke informatie die alle levende organismen en vele virussen nodig hebben. Om zich te ontwikkelen, om te groeien, om goed te werken en om zich te vermenigvuldigen.

Diabetes mellitus

Een groep ziekten waarbij iemands bloedsuikerspiegel te hoog wordt. Deze ziekte ontstaat als het lichaam onvoldoende insuline aanmaakt. Of als het lichaam de insuline niet gebruikt zoals het hoort.

Diarree

Diarree is ontlasting die zo dun is als water. Wie last heeft van diarree, heeft vaak meerdere keren per dag last van deze dunne ontlasting. Is de ontlasting alleen wat minder vast dan normaal? Dan is dat niet direct diarree.

Diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL)

Diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) is een snel groeiende vorm van lymfeklierkanker. Deze kanker hoort tot de groep van de non-hodgkinlymfomen. De ziekte ontstaat meestal in een lymfeklier of het beenmerg. Maar hij kan ook ontstaan op andere plaatsen van het lymfestelsel, zoals in de milt of de lever. In uitzonderlijke gevallen bevindt de ziekte zich buiten het lymfestelsel, bijvoorbeeld in de huid of de teelballen. Nadat de ziekte is vastgesteld wordt altijd meteen gestart met een behandeling.

Dubbelblind

Dubbelblind is een term die te maken heeft met klinisch onderzoek (onderzoek naar geneesmiddelen). De onderzoekers en de deelnemers aan het onderzoek weten dan niet welk geneesmiddel iemand krijgt. Dit horen ze pas na het onderzoek.

Droge leeftijdsgebonden maculadegeneratie

Droge leeftijdsgebonden maculadegeneratie ontstaat doordat de lagen van de macula, achter in het oog, steeds dunner worden. Oude cellen sterven af en worden niet vervangen. Hierdoor werkt de macula minder goed. Het gezichtsvermogen in het midden van het oog gaat langzaam achteruit.

Endoscopie

Bij endoscopie brengt een arts een dunne buis met een camera in het lichaam. Bijvoorbeeld door de mond, om de slokdarm en de maag te bekijken. Of door de anus, om de endeldarm en de dikke darm te bekijken.

Epidermalegroeifactorreceptor (EGFR)

Een eiwit dat voorkomt aan het oppervlak van sommige cellen. De epidermale groeifactor bindt zich aan de receptor (EGFR). Dan splitsen de cellen zich. Daardoor ontstaan nieuwe cellen. Vertoont de receptor een afwijking? Dan kan deze te veel signalen aan de cellen doorgeven. Daardoor verloopt de celdeling te snel en ongeremd. Zo kan ook kanker ontstaan.

Oestrogeen- en progesteronreceptoren

Oestrogeen- en progesteronreceptoren zijn eiwitten. Deze bevinden zich op de cellen van het weefsel van de vrouwelijke voortplantingsorganen. Daarnaast komen ze voor op bepaalde weefsels en kankercellen. De geslachtshormonen oestrogeen en progesteron binden zich aan deze eiwitten (receptoren). Zo kunnen ze zorgen voor celgroei. Beschikt een kanker over oestrogeenreceptoren? Dan heet hij ‘ER-positief’ of ‘ER+’. Beschikt een kanker over progesteronreceptoren? Dan heet hij ‘PR-positief’ of ‘PR+’. Voor de behandeling van kanker kan het helpen om te tellen hoeveel oestrogeen- of progesteronreceptoren er zijn.

Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)

Een agentschap van de Europese Unie. Het EMA beschermt en verbetert de volksgezondheid, bijvoorbeeld door toezicht te houden op het gebruik van geneesmiddelen. Het EMA beoordeelt ook de uitkomsten van klinische onderzoeken (onderzoeken naar geneesmiddelen). Ze adviseren of een geneesmiddel op de markt mag worden gebracht. Die beslissing hangt af van verschillende factoren. Bijvoorbeeld van de werking van een geneesmiddel en van hoe veilig het is.

Extranodale manifestatie

Extranodale manifestatie wil zeggen dat kankercellen (witte bloedcellen of lymfocyten) zich verplaatsen naar delen van het lichaam buiten de lymfeklieren. Bijvoorbeeld longen, lever, bloed, beenmerg, nieren en ruggenmerg.

Factor 8/9 of factor VIII/IX

Hemofilie ontstaat doordat iemand een defect of aanpassing in een gen heeft. Mensen met hemofilie A hebben een defect in een gen dat factor 8 wordt genoemd. Bij mensen met hemofilie B is er een defect in een gen dat factor 9 wordt genoemd. In beide gevallen ontbreekt een gen of werkt het gen niet goed.

Food and Drug Administration (FDA)

Een agentschap in de Verenigde Staten. De FDA richt zich op de volksgezondheid. De FDA neemt besluiten over klinische onderzoeken (onderzoeken naar geneesmiddelen). Werkt het geneesmiddel goed en is het veilig genoeg? Dan wordt het goedgekeurd voor de behandeling van een bepaalde ziekte.

Fibrine

Een eiwit dat helpt om wonden te genezen. Het vormt een net van plakkerig weefsel over beschadigde bloedvaten. Zo ontstaat er een bloedprop. Daardoor stopt het bloeden, net alsof er een pleister op een wond wordt geplakt.

Fistels

Een abnormaal kanaal in het lichaam. Bijvoorbeeld van het ene orgaan naar het andere. Of van een orgaan naar de huid. Fistels kunnen overal voorkomen. Maar ze komen het meest voor in het spijsverteringsstelsel.

Folliculair lymfoom

Folliculair lymfoom is een vorm van lymfeklierkanker. Het hoort tot de groep non-hodgkinlymfomen. Van de langzaam groeiende non-hodgkinlymfomen komt deze het meest voor. Folliculair lymfoom begint meestal in de lymfeklieren. Het kan zich door het hele lichaam verspreiden. Nadat de ziekte is vastgesteld, hoeft niet altijd meteen gestart te worden met de behandeling.

Gen

Genen bevatten alle informatie die mensen maken tot wat ze zijn. Van de kleur van iemands ogen tot zijn of haar bloedgroep. Genen bestaan uit stukjes DNA. Die stukjes DNA zijn afkomstig van beide ouders.

Genetica

De wetenschap van de erfelijkheid. Erfelijkheid wil zeggen dat kinderen eigenschappen van hun ouders erven. Bijvoorbeeld de kleur van iemands ogen, of zijn of haar bloedgroep.

Genoomprofiel

Dit profiel geeft informatie over genen. Bijvoorbeeld hoe de genen verschillen tussen de ene persoon en de andere die een bepaalde ziekte heeft. Een genoomprofiel wordt gebruikt om bij iemand een ziekte te ontdekken. Of om te kijken of een ziekte ernstiger wordt zonder behandelingen. Of om te controleren of de ziekte minder wordt met een andere behandeling.

Glucocorticoïden

Een geneesmiddel met corticosteroïden. Het wordt gebruikt om ontstekingsziekten te behandelen. Een voorbeeld is reumatoïde artritis. Dit geneesmiddel onderdrukt het afweersysteem van het lichaam.

Hematurie

Bloed in de urine.

Hepatocellulair carcinoom (HCC)

De meest voorkomende vorm van leverkanker. HCC begint met veranderingen in het DNA van levercellen (hepatocyten). Deze veranderingen hebben invloed op de DNA-informatie. Ze kunnen ertoe leiden dat cellen abnormaal gaan groeien. Uiteindelijk kan dan een tumor ontstaan.

Hepatitis

Ontsteking van de lever. Deze is meestal het gevolg van leverschade. Die schade kan een gevolg zijn van een virusinfectie. Of van het drinken van te veel alcohol.

Hepatitisvirus

Er zijn drie soorten van het hepatitisvirus: type A, B en C. Een langdurige infectie met hepatitis B of C kan leiden tot levercirrose. Daarbij ontstaat littekenweefsel. Dat weefsel kan de oorzaak zijn dat de lever niet meer goed werkt.

Humane epidermalegroeifactorreceptor 2 (HER2)

HER2 is een eiwit dat betrokken is bij de normale celgroei. Maar de cellen van sommige soorten kanker, zoals borstkanker, maken HER2 in grotere hoeveelheden. Daardoor groeien kankercellen sneller. Bevat een kanker meer HER2 dan normaal? Dan heet hij ‘HER2-positief’ of ‘HER2+’ genoemd. Voor de behandeling kan het helpen om te tellen hoeveel HER2 er is op sommige soorten kankercellen.

Antihormonale therapie

Een behandeling met geneesmiddelen die hormonen blokkeren. Of die het aantal hormonen in het lichaam verminderen. Op die manier wordt de kankergroei vertraagd of stopgezet.

Gastheercel

Een cel die geïnfecteerd is met een virus of een ander soort micro-organisme.

Humaan immunodeficiëntievirus (HIV)

Een virus dat de cellen van iemands afweersysteem beschadigt. Hierdoor zijn deze cellen minder goed in staat om infecties en ziekten te bestrijden.

Afweercellen (immuuncellen)

Witte bloedcellen die het lichaam beschermen tegen vreemde (of schadelijke) stoffen, cellen en virussen. Dat doen ze door een afweerreactie op gang te brengen.

Immuuntolerantie-inductie (ITI)

Een methode waarbij iemand een tijd lang regelmatig een geneesmiddel krijgt toegediend. Dit gebeurt tot het lichaam het geneesmiddel herkent zonder erop te reageren (dus zonder een afweerreactie op gang te brengen).

Afweersysteem (immuunsysteem)

Het systeem dat het lichaam beschermt tegen vreemde (of schadelijke) stoffen, cellen en virussen. Daarbij worden witte bloedcellen gevormd. Die bestrijden de slechte cellen.

Immunosuppressie

Gehele of gedeeltelijke onderdrukking van het afweersysteem (immuunsysteem). Daardoor loopt iemand een verhoogd risico op infectie. Hij of zij is ook minder goed in staat om de infectie te bestrijden.

Immunotherapie

Bij immunotherapie worden stoffen gebruikt die het afweersysteem versterken. Het doel is de groei van kanker te vertragen of te stoppen. Deze stoffen worden door het lichaam zelf gemaakt, maar ze kunnen ook in een laboratorium worden gemaakt.

Implantaat

Een apparaat dat bij een operatie wordt ingebracht in het lichaam. Dat gebeurt om verschillende redenen. Bijvoorbeeld om een geneesmiddel toe te dienen. Of om een lichaamsdeel te vervangen dat beschadigd is. Of om in de gaten te houden wat er in het lichaam gebeurt.

Inflammatoire darmziekten (IBD)

Een verzamelnaam van ziekten waardoor het spijsverteringsstelsel ontstoken raakt. Een ontsteking is de reactie van het lichaam op schade, infecties of irritaties. Een ontsteking kan ook ontstaan door een auto-immuunreactie. Deze kan leiden tot roodheid, zwellingen en pijn. Twee soorten IBD komen veel voor: de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Deze kunnen vergelijkbare symptomen hebben, maar komen voor in verschillende gedeelten van het spijsverteringsstelsel.

Griep

Griep is een infectie van de luchtwegen. Deze kan leiden tot koorts, pijn, verkoudheidssymptomen, een zwak gevoel, spierpijn en vaak ook hoofdpijn. Griep wordt veroorzaakt door het influenzavirus.

Influenzavirus

Het zeer besmettelijke virus dat griep (influenza) veroorzaakt. Er zijn drie verschillende soorten van dit virus: type A, B en C.

Intracraniële bloeding

Een bloeding binnen in de schedel.

Infuus in een ader

Een infuus in een ader wordt ook intraveneus infuus genoemd. Door het infuus komt een geneesmiddel direct terecht in de bloedsomloop. Dit gebeurt over een langere periode, op een gecontroleerde, regelmatige manier. Het infuus wordt meestal aangebracht in een ziekenhuis of gezondheidscentrum. Er moet namelijk een plastic buisje in een ader worden ingebracht. Bij een infuus kan goed geregeld worden hoeveel geneesmiddel iemand krijgt toegediend, en hoe snel dat gebeurt.

Grootcellig carcinoom

Grote en ronde kankercellen met een grote celkern. De celkern is het gedeelte van de cel waarin alle genetische informatie ligt opgeslagen.

Lymfestelsel

De weefsels en organen die een rol spelen in het opwekken van een immuunreactie. Immuunreacties zorgen voor het opruimen van infecties en van afvalproducten uit het lichaam. Dit systeem bestaat uit het beenmerg, de milt, de zwezerik en de lymfeklieren en -vaten (een netwerk van dunne buisjes waardoor de lymfe en de witte bloedcellen stromen).

Lymfocyt

Lymfocyten beschermen het lichaam tegen infecties. Ze bewegen zich voortdurend door het lichaam door een netwerk. Dat heet het lymfestelsel. Dit systeem bestaat uit het beenmerg, de milt, de zwezerik en de lymfeklieren en -vaten (een netwerk van dunne buisjes waardoor de lymfe en de witte bloedcellen stromen).

Lymfoom

Een kanker die begint in de vaten van het lymfestelsel.

Macula

De macula is een gebied achter in het oog, in de buurt van het centrum van het netvlies. Het is het gedeelte van het oog waar het gezichtsvermogen het beste is.

Uitgezaaide kanker

Bij uitgezaaide kanker is een tumor verspreid van de plaats waar hij is ontstaan naar andere organen of weefsels. Een voorbeeld zijn borstkankercellen die zich verplaatsen naar het bot. Uitzaaiingen worden ook wel metastasen genoemd.

Behandeling met monoclonale antilichamen

Antilichamen worden gemaakt door de cellen van het afweersysteem. Het bloed en de lymfe vervoeren deze antilichamen door het lichaam. Ze hechten zich bijvoorbeeld aan cellen in iemands lichaam. Zo bepalen ze of de cellen goed of slecht zijn. Antilichamen kunnen zich ook hechten aan bacteriën en virussen. Ze helpen om deze bacteriën en virussen te doden. Zo beschermen ze het lichaam tegen infecties. Sommige antilichamen (monoklonale antilichamen) worden gemaakt in het laboratorium. Ze zijn bedoeld om slechte cellen in het lichaam te ontdekken en te doden. Dat kunnen bijvoorbeeld kankercellen zijn. Maar ze kunnen ook worden gebruikt om overactieve of ontspoorde afweercellen te remmen. Dat gebeurt bij (auto-)immuunziekten.

MRI (kernspintomografie)

Een techniek om een gedetailleerde afbeelding te maken van de binnenkant van het lichaam. Dat gebeurt met sterke magnetische velden en radiogolven, en een computer.

Mammalian/mechanistic target of rapamycin (mTOR)

Een eiwit dat bepaalt hoe cellen zich gedragen, bijvoorbeeld bij celdeling. Dit eiwit kan in sommige soorten kankercellen actiever zijn dan in normale cellen.

mTOR-remmer

Een geneesmiddel dat het mTOR-eiwit blokkeert. Zo kan het ervoor zorgen dat kankercellen afsterven.

Multipele sclerose

Een ziekte die het centrale zenuwstelsel aantast (de hersenen en het ruggenmerg). Hierdoor kan iemand uiteindelijk invalide raken.

Mutatie (algemener ook wel ‘verandering’ genoemd)

Een plotselinge of erfelijke verandering in het DNA-patroon van een gen. Daardoor wijkt het gen af van de normale situatie in cellen van mensen, dieren of andere levende organismen. Zo'n verandering kan het begin zijn van kanker.

Myeline

Een stof rond de zenuwvezels. Deze werkt als isolatiemateriaal, net zoals bij elektriciteitsdraden. Op die manier kunnen elektrische signalen gemakkelijker worden doorgegeven.

Neoadjuvante therapie/behandeling

Behandeling die voor een operatie wordt gegeven, met als doel een tumor te verkleinen.

Neovasculaire (exsudatieve, vochtige) leeftijdsgebonden maculadegeneratie

Een vorm van leeftijdsgebonden maculadegeneratie. Hierdoor kan een patiënt heel snel zijn gezichtsvermogen kwijtraken, soms al binnen een paar weken. Dit komt door de groei van ongezonde bloedvaten onder de macula (een gedeelte van het netvlies achter in het oog), waar normaal gesproken geen bloedvaten ontstaan. De nieuwe, ongezonde bloedvaten kunnen zorgen voor zwellingen en bloedingen onder de macula. Hierdoor ontstaan er littekens en vermindert het gezichtsvermogen.

Nefrectomie

Operatie waarbij een nier wordt verwijderd.

Neuromusculaire aandoeningen

Een groep aandoeningen die van invloed zijn op de werking van de spieren.

Niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC)

De meest voorkomende vorm van longkanker. Deze vorm van kanker kent drie hoofdsoorten: adenocarcinoom, plaveiselcelcarcinoom en grootcellig carcinoom. De arts kan bepalen welke soort kanker het is door de tumorcellen te bekijken met een microscoop.

Non-hodgkinlymfoom (NHL)

Een soort kanker die begint in de witte bloedcellen, de lymfocyten. Dit zijn de cellen die het lichaam beschermen tegen infecties. De lymfocyten ontwikkelen zich bij deze kanker abnormaal. Daardoor kunnen ze geen infecties meer afweren. Deze lymfocyten hopen zich meestal op in de lymfeklieren en de milt. Daardoor zwellen deze op. Die zwelling kan vaak gevoeld worden als een tumor in ontwikkeling is.

Niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s)

Een ontstekingsremmend (anti-inflammatoir) geneesmiddel tegen zwellingen (inflammatie).

Optische coherentietomografie

Een techniek waarbij een afbeelding van de doorsnede van het netvlies wordt gemaakt. Dat gebeurt met licht en een computer.

Osteoporose

Een aandoening waarbij de dichtheid van botten afneemt. Hierdoor worden de botten steeds zwakker en breekbaarder. Daardoor neemt het risico op breuken toe. Deze aandoening komt het meest voor bij oudere vrouwen.

Pancolitis

Een ernstige vorm van colitis ulcerosa die zich naar de hele dikke darm heeft uitgebreid.

Perifeer gezichtsvermogen

Het vermogen om voorwerpen en bewegingen te zien die buiten het directe gezichtsveld vallen (zijwaarts gezichtsveld).

Placebo

Een placebo wordt gebruikt om te onderzoeken of een geneesmiddel goed werkt. Het middel bevat geen actief geneesmiddel, maar ziet er wel hetzelfde uit als het onderzochte geneesmiddel. Het wordt op dezelfde manier toegediend.

Platinahoudende combinatiechemotherapie

Een combinatie van twee geneesmiddelen tegen kanker die platina bevatten. Deze middelen zijn bedoeld om bepaalde vormen van longkanker te behandelen. Ze worden tegelijk toegediend.

Longontsteking

Een infectie van de longen door micro-organismen zoals bacteriën, virussen en schimmels. Hierdoor zwellen de longblaasjes in een of beide longen op. De blaasjes kunnen zich ook vullen met vloeistof of pus. Dat kan leiden tot hoesten, koorts, koude rillingen en ademhalingsproblemen.

Progesteronreceptor en oestrogeenreceptor

Oestrogeen- en progesteronreceptoren zijn eiwitten. Deze bevinden zich op de cellen van het weefsel van de vrouwelijke voortplantingsorganen. Daarnaast komen ze voor op bepaalde weefsels en kankercellen. De geslachtshormonen oestrogeen en progesteron binden zich aan deze eiwitten (receptoren). Zo kunnen ze zorgen voor celgroei. Beschikt een kanker over oestrogeenreceptoren? Dan heet hij ‘ER-positief’ of ‘ER+’. Beschikt een kanker over progesteronreceptoren? Dan heet hij ‘PR-positief’ of ‘PR+’. Voor de behandeling van kanker kan het helpen om te tellen hoeveel oestrogeen- of progesteronreceptoren er zijn.

Proctitis

Ontsteking van het weefsel dat de endeldarm (het rectum) bedekt.

Profylactische behandeling

Een behandeling die iemand beschermt tegen een ziekte (of de symptomen daarvan) die hij of zij al heeft. Of tegen een ziekte waaraan hij of zij wordt blootgesteld. Bijvoorbeeld bij patiënten met hemofilie, die het risico lopen op ernstige bloedingen. Zij kunnen een profylactische behandeling krijgen om die bloedingen te voorkomen.

Eiwit (proteïne)

Een lange keten van heel kleine moleculen, aminozuren genoemd. Deze ketens kunnen eenvoudig of ingewikkeld opgebouwd zijn. Ze zorgen voor de vorming van vrijwel alles waaruit levende organismen bestaan. Van het haar tot de huid, en van enzymen tot antilichamen.

Bestraling (radiotherapie)

Een behandeling waarbij het lichaam wordt blootgesteld aan straling, om zo de kankercellen te beschadigen en uiteindelijk te doden.

Gerandomiseerd

Een methode die wordt gebruikt bij onderzoek. Proefpersonen worden dan willekeurig in verschillende groepen verdeeld. De groepen worden dus toevallig samengesteld. Daarna krijgen deze groepen elk andere geneesmiddelen. Zo kunnen ze met elkaar worden vergeleken.

Recombinant DNA

Een vorm van kunstmatig DNA (dat in een laboratorium is gemaakt). Dit DNA wordt gemaakt door stukjes DNA uit verschillende bronnen te combineren.

Remissie

Bij remissie verdwijnen de symptomen van kanker of andere ziekten. Dat kan tijdelijk zijn, maar ook voor altijd.

Niercelcarcinoom (RCC)

De meest voorkomende vorm van nierkanker. Ongeveer negen op de tien nierkankers zijn RCC.

Resectie

Een operatie om een orgaan, weefsel of structuur helemaal of gedeeltelijk te verwijderen.

Reumatoïde artritis

Een ontstekingsziekte van de lichaamsgewrichten die pijnlijke zwellingen kan veroorzaken. Dit kan leiden tot (ernstige) gewrichtsschade en beperkingen.

Sarcoom

Een kanker die begint in de spieren of de botten.

Toevallen

Verschillende aanvallen waarbij iemand last heeft van stuiptrekkingen en spierspasmen (spiersamentrekkingen). Soms verliest hij of zij het bewustzijn.

Kleincellig longcarcinoom

Een soort longkanker. Het type longkanker wordt vastgesteld door de tumorcellen te bekijken onder een microscoop.

Sikkelcelanemie

Bij sikkelcelanemie blijven iemands rode bloedcellen minder lang in leven dan normale rode bloedcellen. De cellen komen vast te zitten in de bloedvaten door hun ongewone, ‘sikkelachtige’ vorm. Daardoor zijn er minder bloedcellen beschikbaar. Zij kunnen niet genoeg zuurstof door het lichaam vervoeren. Dit is een ernstig en levenslang probleem.

Bijwerkingen

Een ongewenst effect van een geneesmiddel of medische behandeling. Zo kunnen sommige vormen van chemotherapie haaruitval geven.

Spontane bloeding

Bloeding die ontstaat bij iemand zonder dat iemand schade heeft aan zijn of haar lichaam, of gewond is geraakt. De bloeding ontstaat vanzelf. Dat gebeurt wanneer iemand een verstoorde bloedstolling heeft.

Plaveiselcelcarcinoom

Een kanker die begint in de longen: in de platte cellen waarmee het luchtwegoppervlak van de longen bedekt is.

Stamceltransplantatie

Een ingreep waarbij een patiënt gezonde cellen krijgt toegediend die bloedcellen kunnen maken. Deze cellen worden ook wel stamcellen genoemd. Deze gezonde stamcellen worden aan een patiënt toegediend nadat de eigen abnormale stamcellen van de patiënt zijn vernietigd. Bijvoorbeeld door een ziekte of door bestraling. Beenmergtransplantaties zijn er in verschillende soorten: 1 autoloog, met stamcellen uit het eigen beenmerg; 2. allogeen, met stamcellen van iemand anders; 3. syngeen, met stamcellen van een eeneiige tweeling.

Stricturen

Delen van de darmen die nauwer zijn geworden door littekenweefsel, wat ontstaan is door het genezingsproces van (meerdere) ontstekingen.

Stricturoplastie

Een operatie om vernauwingen in de darmen te verwijderen.

Doelgerichte therapie

Een behandeling om met geneesmiddelen specifieke soorten kankercellen op te sporen en te bestrijden. Bij deze aanpak raken minder normale cellen beschadigd. Een doelgerichte therapie kan bedoeld zijn om moleculen te stoppen die kankercellen helpen om te groeien. Maar een doelgerichte therapie kan ook het afweersysteem helpen om cellen te doden. Of de kankercellen worden gedood door ze direct in contact te brengen met giftige stoffen. Doelgerichte therapie heeft mogelijk minder bijwerkingen dan andere behandelingen tegen kanker.

TNM-stadiëring

Een systeem om tumoren in te delen. Het is gebaseerd op de grootte van de tumor (T), op de verspreiding van de kanker naar nabijgelegen lymfeklieren (N) en op de verspreiding van de kanker (uitzaaiing/metastasering) naar andere delen van het lichaam (M).

Triple-negatieve borstkanker (TNBC)

Borstkanker waarbij de tumorcellen geen receptoren hebben voor de hormonen oestrogeen en progesteron of het eiwit HER2. Deze soort kanker kan daardoor niet worden behandeld op een standaardmanier (met antihormonale therapie of doelgerichte therapie). Patiënten worden meestal behandeld met een operatie of chemotherapie.

Trivalent vaccin

Een vaccin dat drie soorten bevat van een dode, inactieve virusstam die geen infecties kan veroorzaken.

Tyrosinekinase

Tyrosinekinases spelen een belangrijke rol bij de werking van cellen. Bijvoorbeeld bij de groei van cellen en bij celdeling. Tyrosinekinases kunnen te actief zijn. In sommige soorten kankercellen komen ze voor in te grote hoeveelheden. Door ze te blokkeren, stopt mogelijk de groei van kankercellen.

Tyrosinekinaseremmers

Deze geneesmiddelen blokkeren tyrosinekinases. Dit zijn stoffen die een rol spelen bij de werking van cellen. Tyrosinekinases kunnen ervoor zorgen dat een kanker ongecontroleerd kan groeien. Ze kunnen ook zorgen dat ontstekingscellen een auto-immuunreactie veroorzaken.

Lengte van een klinisch onderzoek

De lengte van een klinisch onderzoek is de volledige duur van het onderzoek. Dat is de periode van de (geschatte/daadwerkelijke) begindatum tot de (geschatte/daadwerkelijke) einddatum op CT.gov. De periode waarin de proefpersoon deelneemt aan het onderzoek kan korter zijn.

Colitis ulcerosa

Colitis ulcerosa veroorzaakt ontstekingen van het slijmvlies aan de binnenkant van de endeldarm (rectum) en de dikke darm (colon). Patiënten met colitis ulcerosa kunnen zweren (ulcera) krijgen in het dikkedarmslijmvlies. Die kunnen gaan bloeden en kunnen slijm produceren. Door de ontsteking kan er ernstige diarree optreden (regelmatig terugkerende, losse en waterige ontlasting, vele malen per dag). Ook kunnen er bloedingen van de darm ontstaan.

Vaccinatie

Een injectie met een inactief virus of een klein gedeelte daarvan. Dat veroorzaakt in normale gevallen geen infecties. Door de injectie kan het lichaam het virus als ‘slecht’ herkennen. Wordt het lichaam later aangevallen door het echte virus? Dan kan het zichzelf beter beschermen tegen het virus en de ziekte.

Vasculaire endotheliale groeifactorremmers (VEGF-inhibitoren)

VEGF is een eiwit dat een rol speelt bij de vorming van nieuwe bloedvaten. Een behandeling met VEGF-inhibitoren stopt de groei van ongewenste nieuwe bloedvaten.

Virus

Een eenvoudig micro-organisme dat cellen infecteert en ziektes kan veroorzaken.